" …een protestmars met een open karakter, met internationale deelname, welke jaarlijks plaatsvindt. De route is gelijk aan die welke de Bosniërs vanuit de “veilige haven” Srebrenica in 1995 probeerden af te leggen om het vrije gebied onder beheer van het Tweede Korps van het Bosnische(ARBiH) leger te bereiken, na de val van Srebrenica in de handen van het Servische leger (VRS). "
 
 
 
Niet zo lang geleden..."Instructie 7", geïnstrueerd door Radovan Karadžić, luidde dat het Leger van de Republika Srpska (VRS) zou "...rond de fysieke scheiding van Srebrenica van Žepa zo snel mogelijk af, voorkom communicatie tussen individuen in de twee enclaves. Door geplande en weldoordachte gevechtsoperaties zou een ondragelijke situatie van totale onzekerheid zonder enkele hoop op verdere overleving of leven voor de inwoners van Srebrenica gecreëerd moeten worden..."

De specifieke instructie was nog maar de prelude van de militaire operatie met de codenaam "Krivaja 1995", welke het Leger van de Republika Srpska uitvoerde met als doel om de "veilige havens" van de Verenigde Naties Srebrenica en Žepa te veroveren. Operatie "Krivaja 1995" dient als introductie van de genocide die begaan is door de VRS op meer dan 8.000 mannen in 1995 in Potočari en de verdere regio in een periode van enkele dagen. Verder werden noch vrouwen, noch recent geboren kinderen gespaard.

Operatie "Krivaja 1995" werd onder de territoriale jurisdictie van het Drina Corps van de VRS, geleid door Radoslav Krstić, die later veroordeeld werd voor oorlogsmisdaden en was eveneens onder commando van de momenteel meest gezochte oorlogsmisdadiger Ratko Mladić tijdens de beginfase van de aanval. Assistentie uit Servië arriveerde in de vorm van het Užice Corps en talloze paramilitaire groepen, inclusief de beruchte "Scorpions", die banden hadden met de militaire en politie organisaties van dat land.

De VN delegeerde de bescherming van de "veilige haven" Srebrenica aan het Nederlandse Bataljon (DUTCHBAT) van UNPROFOR (United Nations Protection Force). DUTCHBAT 3 kwam aan in Srebrenica op 18 januari 1995. Het bestond uit 600 leden, voor de helft bestaande uit ondersteuning en medische staf, terwijl de andere helft samengesteld was uit reguliere infanterie. Dat aantal nam significant af tegen juli 1995. Verder was het bataljon logistiek beschadigd door de VRS, dat bevoorradingskonvooien niet bij Potočari liet komen, waar het hoofdkwartier, Basis Charlie, was gevestigd.

De UNPROFOR missie in Srebrenica had twee bases: Charlie, het bataljonshoofdkwartier, en Bravo, een logistieke basis gevestigd in de "Vezionica" direct bij de toegang tot Srebrenica. Verder controleerde UNPROFOR dertien observatieposten gelokaliseerd in een straal van 50 kilometer rond Srebrenica. Deze posten waren niet gebouwd als verdedigingsposten, waarvandaan een aanval op de enclave zou kunnen worden afgewend. Het waren meer punten om de bewegingen van de VRS te kunnen volgen. Ze waren allemaal wit geschilderd en gemarkeerd met de vlag van de Verenigde Naties.

Op de 3e juni luidde de VRS met de beginfase van ramp van wereldformaat in, toen het de meest zuidelijke observatiepost "Echo" naderde met als doel om de controle over de weg, die Skelani en Milići verbond, over te nemen. Deze actie paste in het doel om Žepa en Srebrenica te scheiden conform "Instructie 7". De VN militairen werden gedwongen om hun observatiepost te verlaten.

Vanaf dit moment, vorderde de opruk naar Srebrenica dagelijks. Meer VN observatieposten werden veroverd door de VRS troepen en UNPROFOR soldaten werden gevangen genomen. Zich realiserend, dat de situatie flink uit de hand liep, vroeg DUTCHBAT herhaaldelijk om luchtsteun op 10 juli. Ze wachtten op toestemming bij de volgende commandolijn: de commandant van UNPROFOR, luitenant-generaal Bernard Janvier, de VN secretaris-generaals persoonlijke vertegenwoordiger in de regio, Yasushi Akashi; en de VN Veiligheidsraad. Generaal Janvier twijfelde aanvankelijk om in te stemmen met de luchtsteun en daarom was het al te laat.

In afwachting van de aankomst van de bomenwerpers, vaardigde de VRS een ultimatum uit aan de VN: of de luchtaanvallen afblazen of de door de VRS gevangen gehouden VN soldaten in Bratunac worden geëxecuteerd. De luchtaanval werd afgelast. Een stroom van vluchtelingen snelde naar Potočari, een veilig heenkomen zoekend in het DUTCHBAT hoofdkwartier. De "Bravo" basis in Srebrenica werd verlaten. Rond 16.00 uur kwam het VRS Drina Corps, geleid door Krstić en Mladić, aan bij de zuidelijke toegang tot Srebrenica.



Srebrenica capituleerde onder controle van de VRS op 11 juli 1995 rond 16.00 uur. Meer dan 25.000 vrouwen, kinderen en oudere mannen waren al in basis "Charlie" en de directe omgeving in de hoop dat UNPROFOR hen zou beschermen. Jongens en mannen die in staat waren om te vechten geloofden dat hun kansen op overleving groter waren als zij probeerden door de bossen te vluchten naar het gebied dat gecontroleerd werd door het 2e Corps van het Leger van de Republiek van Bosnië en Herzegovina (ARBIH), meer dan achterblijven in de handen van de Servische soldaten in Potočari. Rond middernacht hadden zich 12.000 tot 15.000 mannen verzameld in het gebied tussen de dorpen Šušnjari and Jaglići, wat dicht bij de Nederlandse observatiepost "Mike" was. In deze massa bevonden zich ruwweg 200 vrouwen, kinderen en ouderen.

Geschat wordt, dat een derde van de verzamelde massa behoorde tot de slecht geëquipeerde 28e divisie van de ARBIH. De overigen waren burgers die begrepen, dat hun levens snel over zouden zijn als ze zich over zouden geven aan de Servische soldaten. Een colonne werd gevormd met als doel om het ruige bergachtige terrein door te steken naar Tuzla en Kladanj, welke onder controle van de ARBIH waren.

Op de 2e juli 1995, rond 00.30 uur, vertrok de colonne vanaf de plaats Šušnjari in de richting van de gebieden Tuzla en Kladanj, een tocht van meer dan 100 kilometer. Geleid door een groep soldaten van de 28. divisie ARBIH, wiens missie het was om een gang te creëren waar de overigen, meest burgers, door heen konden naar veilig gebied. Het front van de colonne, bestaand uit de best uitgeruste en getrainde soldaten in de divisie, deden bijna 25 kilometer in 6 uur en bereikten Konjević Polje. Afgezien van sporadisch vuur en granaten viel de VRS dit deel van de colonne niet aan, onder andere vanwege het onherbergzame terrein.

" Hoe dan ook, de minder adequaat uitgeruste soldaten en burgers die volgden waren niet zo gelukkig, omdat de Servische val zich snel sloot. In het begin lieten ze mensen nog passeren zonder grote incidenten, wetend dat het moeilijk zou zijn ze achterna te jagen en te vangen in de dichte bebossing. Tegelijkertijd wisten ze echter, dat de moslims op de weg Bratunac-Konjevići, ten noorden van de enclave, of Konjevići-Milići, ten westen van de enclave, over moesten steken. Dat is waar de Serviers wachtten. Ondersteund door pantservoertuigen en luchtafweersteun machinegeweren, waren de soldaten verspreid over de weg in gaten van 10 tot 20. Alles wat de Serviërs hoefden te doen was te wachten tot de moslims opdoken. In de eerste ochtenduren merkten de Serviërs ten noorden van het gehucht Kamenica, dat een grote groep mensen naderde. Om ze op te drijven naar open terrein werden artillerie, mortieren en luchtafweersteun ingezet om de bossen naast de weg te bestoken. "
» ( Srebrenica: Record of a War Crime | Jan Willem Hoing, Norbert Both, Sarajevo : Ljiljan, 1997. )

Rond 10.00 uur op dezelfde dag, in het plaatsje bekend als Hajdučko Groblje, bombardeerde de VRS direct de colonne en veroorzaakten de eerste slachtoffers. Rond de 30 mensen werden gedood en 100 gewond. Het bombarderen van de colonne werd vervolgd rond de plaats Kamenica en in Kameničko Brdo werden zware verliezen geleden aangezien de Serviërs hun aanvallen op de colonne intensiveerden.

In de middaguren nam de VRS rond de 1.000 mensen uit het laatste deel van de colonne gevangen rond Ravni Buljim. Ze namen hun persoonlijke spullen af en sommigen werden ter plaatse neergeschoten. Op dezelfde dag rond 20.00 uur werd de colonne gescheiden in de regio Krajinovački Potok. De VRS was inmiddels al bekend met de mogelijke routes, die door de colonnes gevolgd werden. Daarom plaatsten ze mijnen in de velden en open gebieden naast de mogelijke routes. Angst en paniek leidden verschillende mensen uit de colonnes deze gebieden in.

" Op 13 juli 1995 tussen 1.00 en 6.00 uur stak de groep vluchtelingen vanuit Srebrenica de asfaltweg Konjevic Polje-Nova Kasaba over. Rond 6.00 uur scheidde de VRS de colonne en nam minstens 6.000 mannen gevangen. De meerderheid van de gevangenen werd afgevoerd naar de verzamelpunten in Nova Kasaba in de gemeente Vlasenica en Sandići in de gemeente Bratunac. Generaal Mladić bezocht de gevangen op beide locaties.

De gevangenen in Nova Kasaba en Konjević Polje werden omgebracht langs de baken van de Jadar Rivier bij Nova Kasaba. Gedurende dezelfde dag brachten de Serviërs drie bussen vol gevangen ter executie naar Cerska in de gemeente Vlasenica. Daarvoor werden de handen van de gevangen gebonden met draad.

In de late middag van 13-7-1995 dreven de VRS de gevangenen in de Sanići naar Kravica, waar ze ingesloten werden in het warenhuis van de landbouwcoöperatie "Kravica". Rond 18.00 uur op dezelfde dag werden die mensen door de VRS geëxecuteerd door middel van raketten, handgranaten en klein vuur. Geschat wordt, dat meer er dan 1.000 mensen sneuvelden.
"   » ( Genocide in Srebrenica | Nijaz Mašić, prof. )

Een groep van 5.000 mensen van de uiteengevallen colonne verzamelde op de berg Udrč. Ze werden snel opgemerkt door de VRS, die intensief artillerievuur op hen opende. Er waren veel mensen die hallucineerden na de bombardementen, wat impliceert dat de VRS chemische wapens heeft ingezet bij de aanval. Daarna was het nodig om richting Kamenica te trekken om Tuzla te kunnen bereiken. In de tussentijd organiseerde de VRS op grote schaal een hinderlaag om de colonne af te stoppen bij de plaats Glodi.

" Degenen die in Bratunac op 14-7-1995 zaten werden door de VRS naar verschillende locaties in de gemeente Zvornik gebracht (Grbaci, Petkovic, Pilica, Branjevo…) en geëxecuteerd. Generaal Ratko Mladić hield persoonlijk toezicht op de executies. "

Ergens in de nabijheid van Snagovo in de gemeente Zvornik, organiseerde de VRS een krachtige hinderlaag bestaande uit tanks en vrachtwagens ondersteund door het Ministerie van Binnenlandse Zaken met het doel om alle vluchtelingen uit Srebrenica om te brengen. Zoran Janković uit Modriča die een speciale eenheid van de VRS leidde, werd gevangen genomen bij die confrontatie. Rond 16.00 uur op 14-7-1995, opende het Servische leger artillerievuur vanaf de locaties Velja Glava en Kula Graad boven Zvornik. De gevangen Janković nam contact op met de commandant van de Zvornik brigade om te onderhandelen over een staakt het vuren, zodat de colonne door kon trekken naar Križevačke Njive.

Nadat de aanvallen staakten, stak de colonne bestaand uit meer dan 4.000 mensen de weg Zvornik-Tuzla over in de regio Crni Vrh op de nacht van de 14e juli. Op de nacht van de 15e juli stak de colonne veilig de weg Križevačke Njive – Baljkovica over waar het zich verstopte langs een kreek om te wachten op het einde van de strijd in Baljkovica. De deelnemers van de strijd omvatten de VRS en een combinatie van uitgeruste leden van d ecolonne en versterkingen uit Tuzla onder het commando van Naser Orić. Op 15-7-1995 werd radiocontact gelegd tussen het 2e Corps van de ARBIH en de colonne van Srebrenica.

In de tijd van 14.00 tot 17.00 uur op 16-7-1995 bereikten 3.500 van de uitgedunde colonne het veilige gebied in de plaats Nezuk in de gemeente Sapna.


Van de geschatte 15.000 mensen die begonnen aan de "Mars van de dood" als middel om te overleven, kon uiteindelijk maar iets meer dan een vijfde doorbreken tot Nezuk. Een combinatie van angst, uitputting, beperkt bewustzijn, slechte kennis van het terrein, gebrek aan voedsel, wapens, of moraal, toegevoegd aan vele andere redenen droegen allemaal bij aan de dood van de meerderheid van de mensen die in het begin aanwezig waren toen de colonne gevormd werd tussen Šušnjari and Jaglići op 11-7-1995. Sommige werden gedood in hindelragen en aanvallen op de colonne., maar verreweg de meerderheid kwam aan zijn eind door overgave aan de VRS. Ze werden gevangen gezet en bruut vermoord op boerderijen, in gesloten scholen, coöperaties etcetera. Het getuig dat de VRS stal van de UNPOROFOR troepen diende als lokaas. Zo gaven velen zich over aan "VN troepen" zonder te weten in wiens handen ze echt vielen.

De vrouwen en kinderen die getransporteerd werden van Potočari naar Kladanj waren ooggetuige van het opstellen van honderden gevangen mannen in voeltbalstadions, velden en langs wegen. Velen getuigden dat de wegen bezaaid waren met lijken en dat de bussen gebruikt voor transport van de vrouwen en kinderen over hen heen reden. De mannen die de VRS in het begin in Potočari gescheiden werden, aangevuld met een groep gevangen in Bratunac, gemarteld tot op de rand van uitputting terwijl anderen ter plaatse geëxecuteerd werden. De twee meest beruchte executieplaatsen waren gelegen bij Zvornik. Mannen werden geblinddoekt en met handen gebonden op hun rug in vrachtwagens geladen. Daarna werden ze naar Karakaj gebracht of een boerderij in Pilice, waar duizenden werden vermoord en begraven door bulldozers. Nederlandse soldaten waren getuige van de executie van 500 tot 700 mensen in het voetbalstadion in Nova Kasaba.

" Zij (militaire politie) schepten op dat ze mensen vermoordden en vrouwen verkrachtten. Ze waren trots op wat ze deden. Ik had niet het idee dat ze het deden uit woede of wraak, maar meer als vorm van entertainment. Ze leken tevreden met zichzelf op een professionele en rustige manier. Ik geloofde wat ze zeiden, omdat ze meer dan capabel waren voor datgene wat ze beweerden te doen. Ieder van hen had een Duitse herder, pistool, handboeien en een angstaanjagend mes met een blad van 20 centimeter. "  » ( Johan Bos UNPROFOR Sergeant | The Independent. )

Er waren er die, vechtend voor hun eigen leven, bereid waren om alles te doen om weer bij hun geliefden te komen, ondanks de gruwelijke situatie waarin ze zichzelf bevonden. Doorzetten, geduld en de genade van god leidde hen tot dat doel. Hoe lang sommigen wachtten op hun moment van vreugde wordt duidelijk aan de hand van het volgende geval:

" In de eerste dagen van de exodus van Srebrenica zag ik veel verminkte en gewonde mensen van Buljim tot Udrč. Mensen gaven zich over aan de Chetniks omdat ze uitgeblust waren. Ik ging met twee mannen naar Udrč. Daar vonden we twintig jonge mannen, die net als ons niet de weg naar Tuzla wisten. Desalniettemin gingen we naar Snagovo. Langs de weg vonden we onze mensen, die het niet gehaald hadden. Ze waren dusdanig afgeslacht, dat ze niet meer herkenbaar waren, zo erg dat ze niet eens meer op mensen leken. We kwamen nabij de frontlinie in Baljkovici. Daar waren ook veel lichamen, maar je kon niet geloven wat je zag. Je kon je eigen broer niet eens herkennen. We zochten op het terrein hoe we een veilig heenkomen konden bereiken, maar niets van dat. Een Chetnik patrouille passeerde. We waren heel zenuwachtig en paniek sloeg toe. De Chetniks begonnen op ons te schieten en we renden achteruit. Sommigen werden verwond en sommigen gedood. We liepen terug naar de weg waar we vandaan gekomen waren. Op Udrč troffen we ongeveer honderd anderen. Het was 20 juli. Om te overleven aten we slakken, paddestoelen en fruit dat we konden vinden. We hadden niets anders te eten. We bleven er nog een maand. De Chetniks merkten ons op en omsingelden Udrč. We trokken ons verder terug in de bossen, de berg op. Er was een aanval. Voor zover ik kon zien, werden er twee gedood en zeven gewond. We scheidden van de rest van de groep. Sommigen gingen in de richting van Tuzla en anderen naar de andere kant. Ik ging mee met vijf mensen, de meeste jonger.

We keerden terug naar Kamenica, waar de eerste nederlaag was en de meeste mensen sneuvelden. Rottende lijken lagen overal verspreid. We hadden geen eten, dus namen we suiker en zout van de overledenen. Je kon niet lopen zonder de lichamen te raken. Een van de jongens kwam op het idee om de lichamen te tellen. We scheidden ons, maar niet te ver. We telden ongeveer 500 lijken. We vonden kleding zonder lichamen en vernielde documenten. Daar besloten we terug te keren naar Srebrenica. De plaatsen rond Srebrenica brandden nog steeds. We zagen de Chetniks terwijl ze de huizen plunderden. We omzeilden dat gebied, de patrouilles ontwijkend.

De winter was al in aantocht en we besloten om een klein kamp te maken in de plaats Sućeska zodat we konden overleven. We gingen naar de andere dorpen op zoek naar voedsel en bloem. We vonden een kleine generator en een radio in een dorp. We maakten de radio en begonnen naar het nieuws te luisteren. Dat is hoe we ons oriënteerden in die dagen en maanden. Het hielp ons zeer. We luisterden naar het nieuws en hoorden over het verdrag van Dayton. We waren nog steeds bang. We twijfelden en wisten niet of we naar Tuzla konden gaan. Een klein beetje voedsel bleef nog maar over. Het was winter en onze schoenen waren van gebrekkige kwaliteit. Rond de eerste maart vonden de Chetniks ons. We moesten vluchten uit het kleine kamp. Ze vernietigden alles en gooiden het restant aan eten dat we verzameld hadden weg. WE trokken ons ongeveer vijf kilometer terug naar het plaatsje Lehovići waar we honger leden. We douchten nauwelijks. We aten ongezouten graan en aardappelen. In dit tweede kamp bleven we ongeveer twintig dagen. Toen we weer ontdekt werden, besloten we om naar Tuzla te gaan. We vertrokken op de 26e maart in 1996, totaal uitgeput en zonder eten. Het weer was slecht, het regende en sneeuwde. We verplaatsten ons langzaam en de reis duurde 11 dagen.

We bereikten veilig gebied en zagen IFOR soldaten. We hoorden over hen op de radio. We besloten om ons aan hen over te geven, maar waren tegelijkertijd bang. Twee van onze mannen gingen uitzoeken wie die soldaten waren. We vertrouwden niemand meer, omdat we in Srebrenica al problemen hadden met UNPROFOR. Onze burgerpolitie accepteerde onze twee jongens, maar we begonnen te rennen toen ze ons naderden. Aan de andere kant was een mijnenveld. We stopten en de politie kwam op ons toegelopen. Pas toen realiseerden we ons dat we gered waren. "

 » ( Statement Nr. 10 | K. S. from Tegare village, Bratunac Municipality, born in 1980 | "Samrtno srebreničko ljeto '95", UG "Žene Srebrenice", Tuzla, 1998. )
  :: www.marsmira.org :: :: webteam 2011 :: feedback@marsmira.org ::